|
Henri De Cocker Vurste 1908 - Gent 1978 |
|
 |
|
Henri De Cocker
|
|
Henri De Cocker werd geboren op
de Kouter in Vurste, bij Gavere, op 15 september 1908. |
|
 |
|
Het geboortehuis op de
Kouter te Vurste |
| Hij stamde uit een landelijk
gezin van 9 kinderen, die vroegtijdig met moeder achterbleven. De kommervolle strijd tegen de
armoede bracht met zich mee dat zijn tekentalent, op school vroegtijdig opgemerkt, voorlopig
bedolven moest blijven. Hij trok naar de steenbakkerijen
en ging als seizoenarbeider in Noord-Frankrijk werken. Van die tijd dateert het pact dat
hij met de natuur gesloten had. De wroeters op het veld en de sombere luchten
zouden hem voorgoed bijblijven, terwijl het harde labeur hem taai en volhardend
maakte. Al had hij nog geen enkele opleiding genoten, hij kon niet nalaten af en
toe zijn verbondenheid met de natuur in simpele werkjes te uiten.
|
|
 |
|
De steenbakkerij, Henri
uiterst links
|
| In 1934, op reeds gevorderde
leeftijd, liet hij zich inschrijven aan de Koninklijke Academie voor Schone
Kunsten van Gent, waar hij onder meer Oscar Coddron, Hubert Malfait en Jos
Verdegem, op wiens pers hij later zijn etsen drukte, als leraars had. Hij
behaalde er hoge onderscheidingen en twee gouden medailles, vermits hij even
knap tekende als schilderde. Vervolgens volgde hij nog een tijd de lessen aan
het Nationaal Hoger Instituut te Antwerpen. |
|
 |
|
De
Academie 1937-1938, tekenklas van Victor De
Budt, Henri wijst het beeld aan
|
| Ondertussen verhuisde hij, in
1934, met zijn moeder - moeder Barbara - van zijn geboortehuis op de Kouter
naar een boerderijtje onder de kerktoren, waar hij tot aan zijn dood bleef
wonen. |
|
 |
|
Het huis bij de kerk waar
Henri tot zijn dood bleef wonen
|
|
In 1942 behaalde hij de prijs
Pipijn en hield hij zijn eerste tentoonstelling in zaal Pan te Gent.
Tot 1948 leunde zijn
schilderkunst aan bij het expressionisme en was Vlaams - ruraal: donkere gebogen
figuren als De Zaaier, De Ploeger en Wiedsters, ook
paarden, koeien en ossen..., aardebruine landschappen, ...
Verblijven in Parijs in 1948 en
later brachten een kentering naar een lichter toets, de Lichte Periode,
die duurde tot 1952.
|
|
 |
|
Parijs, Versailles, Henri
in het midden, uiterst links kunstschilder Jan Verheyden, tussen beiden
Henri's vriend Odilon Van Goethem
|
Een reis door Spanje in 1953
resulteerde in een reeks werken met surreële en soms poëtische inslag: Gek in regenton,
Vogelvanger, Wereldburgers...
Zo kwam hij tot het lyrisme van
de picturale intuïtie en los van het bodemgebonden Vlaamse Expressionisme. Zijn abstracte
periode brak aan: Kubisme, Collages, de prachtige Madonna’s (op rijen geplaatste
vrouwengestalten met een sterk spirituele inslag) en de vlekkencomposities, het
Tachisme - ook hier evolueerde hij van donker naar lichter. In 1960 won hij de
prijs van de kunstkritiek met zijn tentoonstelling van abstracte werken in de
galerij “Le Zodiaque“ te Brussel.
Vanaf 1963 inspireerde hij zich
opnieuw op het plattelandsleven, werd hij opnieuw de expressionist van het
landschap. Opnieuw schilderde hij de ongenadige maar vertrouwde grond,die
monumentale figuren, die zich slechts moeizaam oprichten, aan zich vastklemt. In
de landschappen zonder landarbeiders overheerst een sinistere avond- en
nachtstemming. Meestal zijn het sneeuwstraten, een roethemel troont boven alles
wat hij schilderde; geterroriseerde huizen met potdichte luiken, eenzame
voorbijgangers die huiveren in hun overjassen. Zelfs de ruiter die in het
winterdorp verschijnt accentueert de eenzelvige stemming. Alles triest en
desolaat als van het einde van de wereld.
In 1970 tijdens een
retrospectieve tentoonstelling bij Galerij De Vuyst te Lokeren kwam hij voor het
eerst naar buiten met fauvistisch werk: fel geel, rood, groen, oranje bracht
hij in het zwart van zijn straten.
|
|
 |
|
Mijnheer De Vuyst, Anton
Van Wilderode, Henri De Cocker
|
De zeventig nabij zette hij een
frenetieke verkenning van de vrouw in, de femme fatale, met fauvistisch geweld
en kunde, en botsing van kleuren, koppen, torso’s, naakten, steeds monumentaal
als in panische koorts geschilderd, opgezweept door de aangevoelde dood.
Henri De Cocker heeft de moed
opgebracht zich jarenlang af te zonderen om in de eenzaamheid van zijn atelier
op zijn schilderwerk te zwoegen. Als die aanhoudende retraite te
zwaar ging wegen, sprong hij op zijn fiets - nieuwe horizonten tegemoet; van de
Noordkaap tot de Middellandse Zee heeft hij Europa doorkruist.
Tot zijn laatste
dag is hij een hartstochtelijk fietser gebleven, tot op Allerzielen 1978,
wanneer hij op de Sint-Lievensbrug in Gent op zijn fiets door een
vrachtwagen werd doodgereden.
|
|
Op een brug in Gent-iemand
reed door het rood-reed een wagen een fietser een oude fietser dood
Rie De Cocker, de schilder,
mijn vriend
een fietser uit
roeping
hij fietste naar Hellas hij
fietste naar Finland hij fietste naar Gent nooit zó ver als
op
Allerzielen naar Gent
Lieven Rens November
1978
|
|